donderdag 21 oktober 2010

Quest Historie, voorjaar 2010

Ontgroening voor de Heer

door Marieke van Willigen
Je ging met goede moed het klooster in om een dienstbare monnik of non te worden. Maar dat je daarvoor jezelf moest geselen en vasten tot je erbij neerviel, vertelden ze er niet bij.


“Op mijn dertiende wilde ik een religieuze worden,” zegt frater Wim Verschuren, een novicenmeester van 75. “Mijn moeder zei: 'Het zijn de goeden die het proberen. Maar als je geen zin meer hebt in het klooster, kom dan maar weer gauw naar huis.'”
“Het klooster in”, was tot halverwege de vorige eeuw een gangbaar toekomstperspectief. In grote Rooms Katholieke gezinnen was het gebruikelijk dat één van de kinderen zijn leven in dienst stelde van God en de kerk. Andere jongeren kozen voor het klooster omdat je er kon studeren. Voor vrouwen was het klooster in de Middeleeuwen zo ongeveer de enige weg tot de wetenschap, want universiteiten lieten geen vrouwen toe. Weer andere aspirant-kloosterlingen werden geïnspireerd door monniken en nonnen uit hun omgeving. Dat konden bijvoorbeeld onderwijzers, verpleegsters of priesters zijn. “Ik had les als van een frater die een voorbeeldfiguur was voor mij, ” herinnert Wim zich zijn motivatie. “Daarom ben ik bij de Fraters van Tilburg gegaan.” Actieve kloostergemeenschappen als die van de fraters, waren in het algemeen iets minder streng in de leer dan beschouwende kloosters als bijvoorbeeld Trappisten. 'Actieve' religieuzen waren overdag gewoon werkzaam in de maatschappij. Ze stonden dus ook meer in de wereld dan religieuzen uit een beschouwend klooster, die hun leven volledig wijden aan de dienst voor God. Hoe dan ook, de keuze voor het klooster betekende in veel gevallen een definitieve breuk met de familie. Voor velen was dit een schrikbeeld, maar voor mensen die op gespannen voet met het thuisfront leefden, maakte dit het klooster juist aantrekkelijk. De meeste intredende kloosterlingen ofwel novicen, voelden zich op de één of andere manier geroepen. Maar was dat wel echt zo? Om die roeping te bewijzen, werden de novicen zwaarder beproefd dan in hun stoutste dromen. Bij de verschrikkingen die ze het eerste jaar van het kloosterleven moesten doorstaan, valt een stevige ontgroening van het studentencorps in het niet. Een weg terug was er niet meer. Als je eenmaal een voet binnen de kloostermuren had gezet, betekende uittreding een enkeltje hel.

Novice geselt zichzelf

Behalve het bewijzen van hun roeping, werden de novicen getest op geschiktheid voor het kloosterleven. Een kloosterling moest drie geloften afleggen: die van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid. Met name de laatste gelofte werd in het eerste jaar op de proef gesteld. Behalve het zeven keer per dag het getijdengebed bidden, dagelijks meedoen aan de eucharistie en het werken, kwam daar voor de novicen extra versterving bij. Versterving had als doel het lichaam en de wil ondergeschikt te maken ten einde een inniger en spirituelere band met God te krijgen. Versterving had ook als doel boete te doen voor de zonden die de kloosterling had begaan en tenslotte kreeg je door versterving vereenzelviging met het lijden van Jezus. In de praktijk betekende versterving jezelf geselen op je rug, armen of billen, bitterkruid of inkt door je eten doen zodat de eetlust verging, met een boeteketting om je middel, pols of dijbeen lopen. Deze ketting heeft scherpe haakjes aan de schakels, wat een ongemakkelijk of pijnlijk gevoel geeft. Ieder klooster had zo zijn eigen zelfkastijdingswerktuigen. Algemeen gangbaar was het nachtkoor waar vooral de novicen aan moesten geloven. De novicen werden dan 's nachts uit bed getrommeld voor een nachtgebed, terwijl ze 's ochtends vroeg rond de klok van vijf weer op moesten staan. In de winter kwam daar de kou bij, want rond middernacht was de kloosterkerk niet verwarmd. Een andere zwaar verstervingsmiddel was de grote of de kleine stilte. Kloosterlingen mochten dan voor een bepaalde tijd niet spreken. Bij de 'kleine stilte' mocht dat wel met de 'recreatie' maar bij de 'grote stilte' mocht het alleen op gezette tijden met de biechtvader, zuiver over geestelijke zaken. De stilte kon ook opgelegd worden als boete voor een begane misstap, zoals een per ongeluk gevallen bord , je verslapen of te luidruchtig lachen. Frater Wim praat liever niet over die periode. “Het was vreselijk. Vooral dat vele zwijgen.” blikt hij terug. “Het noviciaat hield er geen rekening mee dat je nog maar zeventien was, want dat was toen mijn leeftijd. De novicenmeester snapte geen barst van ons. We waren nog zo jong, spontaan en speels. Het was een heel nare tijd.”

Frater likt eetzaal schoon

Opmerkelijk is dat de novicen in de jaren '50 van tevoren helemaal niet wisten wat ze allemaal te wachten stond. Dat ontdekte godsdienstpsycholoog Emke Bosgraaf (29) die promoveerde op verstervingspraktijken in Nederlandse kloosters. “Het was eigenlijk een soort taboe-onderwerp,” vertelt Bosgraaf. ”Ze verwachtten wel een streng gedisciplineerd leven, maar iets als zelfgeseling asscocieerden ze met de Middeleeuwen. Terwijl dat tot in het begin van de jaren zeventig in Nederlandse kloosters gedaan werd.” Bosgraaf merkte ook dat de zogenaamde schuldkapittels niet het beoogde effect hadden. De wekelijkse schuldkapittels hadden als doel een nederige houding te leren voor God. Kloosterlingen moesten bijvoorbeeld in de deurpost gaan liggen zodat iedereen over ze heen moest lopen, geknield eten aan een klein laag kindertafeltje of de voeten kussen van alle andere nonnen of monniken. Een Utrechtse frater vertelt “dat hij met zijn tong de refter (eetzaal) schoon moest likken.” Voelden de kloosterlingen zich na zo'n schuldkapittel nederiger voor God? Bosgraaf: “Ze bleken zich vooral vernederd te voelen, maar niet nederig.” Dat vindt frater Wim ook. “Ik moest bijvoorbeeld schuld beleiden doordat ik uit een raam keek dat niet op de binnenplaats uitkeek. Belachelijk waren de schuldkapittels, een volstrekte farce. Dat vonden we allemaal.”

kloosterlingen faken versterving

De novicen, vaak tieners, waren in het eerste jaar uitgeleverd aan de novicenmeester. Die testte en drilde ze tot absolute gehoorzaamheid. Want gehoorzaamheid aan de abt of abdes resulteerde in gehoorzaamheid aan God, was de redenering. Je kon het treffen met een milde novicenmeester, maar je kon ook pech hebben met een hardvochtige leider die je kwelde met zware boetes of vreemde opdrachten om je gehoorzaamheid te toetsen. Hij of zij kon je om het minste geringste een extra zelfkastijdingsbeurt opleggen. Met het zelfgeselen werd overigens nog wel eens de hand gelicht, zeker als de kloosterlingen dat in de kloostercel moesten doen. Ze maakten dan bonkgeluiden en kermden jammerlijk, zodat de buren dachten dat ze zichzelf stonden te geselen terwijl ze in werkelijkheid op hun bed lagen. Weer anderen deden er juist een schepje boven op en geselden zichzelf extra hard of ze verzwaarden hun zweep met kogeltjes. “Voor persoonlijkheden met een neurotische aanleg, was versterving verre van ideaal,” vertelt godsdienstpsycholoog Emke Bosgraaf. “Soms vergaten ze de waarschuwing dat versterving een middel was om dichter bij God te komen en niet een doel op zich. Daarbij zat er ook een narcistisch element in de versterving, want hoe verdienstelijker je was voor God, hoe hoger je kwam. Daarmee schoot versterving haar spirituele doel voorbij. Het doel was om de hoofdzonde van de hoogmoed uit te bannen, maar paradoxaal genoeg stimuleerde het bij sommige religieuzen juist hoogmoed.“

God is liefde

In de jaren vijftig kwam de klad in de versterving. Op sommige punten ging dat geruisloos. Je sloeg eens een nachtkoor over, daarna nog één en uiteindelijk was er alleen nog een nachtkoor op de feestdagen en tenslotte helemaal niet meer. De opkomst van de psycho-analyse droeg eveneens bij aan het in onbruik raken van verstervingspraktijken, want in lichamelijke versterving zoals zelfgeseling lag het gevaar voor masochistisch genoegen op de loer. Bovendien was de versterving voor sommige kloosterlingen psychisch te zwaar. Vanuit de medische hoek kwam er steeds meer kritiek op versterving. Streng vasten in combinatie met een nachtkoor en zelfgeseling en ook nog werken in de verpleging of het onderwijs was voor veel menig kloosterling lichamelijk niet op te brengen. Een andere belangrijke reden voor het wegvallen van de verstervingspraktijken was verandering in het Godsbeeld. Vroeger was vooral het beeld van een 'rechtvaardige God' de norm, een God die streng kan zijn als een vader en boetvaardigheid eiste. Met de veranderende gezagsverhoudingen in de samenleving veranderde het Godsbeeld. God was niet langer een boeman maar een God van liefde. Dat Godsbeeld ging moeilijk samen met de soms wrede versterving. De definitieve nekslag voor versterving kwam door het decreet van het Tweede Vaticaanse Concilie in 1965. Dat decreet handelde over vernieuwing en aanpassing van het religieuze leven, wat ook gevolgen had voor de verstervingspraktijken.

Beter Novicenmeester dan novice

Novicenmeester Wim laat zijn novicen niet meer in nacht en ontij opstaan of schuldkapittels doen. Hij ziet er het nut niet van in. “Ze probeerden je vroeger binnen drie jaar een frater te maken. Ze gingen uit van het ideaalbeeld. Maar de weg naar dat ideaalbeeld toe, werd niet uitgelegd. Vroeger kreeg je als novice bij iedere stap die je deed op je donder. Vaak wist je niet eens waarom. Mijn vroegere novicenmeester stond buiten deze wereld. Maar ik heb geen wrok meer. Er zijn geen krassen op mijn ziel.” Fraters Wims novicen leggen een ander traject af. “Ik laat ze zelf tegen het leven en zichzelf aanlopen. Op die ervaringen kunnen ze dan reflecteren. De novicen vragen mij nu wat de geloften van kuisheid, gehoorzaamheid en armoede inhouden. Het is voor mij veel moeilijker om die vragen te beantwoorden dan dat hele noviciaat vroeger. Want die vragen confronteren je met jezelf.”



boeken

E.Bosgraaf: Gebroken wil, verstorven geest. Oktober 2009. Helder geschreven overzicht en uitleg van verstervingspraktijken in het na-oorlogse Nederlandse kloosterleven. Bevat interviews met religieuzen. Ligt niet in de boekhandel, maar verkrijgbaar via Rijksuniversiteit Groningen: e.bosgraaf@rug.nl
Gerard Walschap: Zuster Virgilia. Amsterdam/Brussel 1951. Psychologische heiligenroman over de verstervingspraktijken van Zuster Virgilia en haar reactie daarop.

sites

www.knr.nl : alle informatie over kloosters van nu
www.cilice.co.uk : Krijg je na het lezen van dit stuk de geest en wil je ook een boeteketting en zweep? Hier kun je hem bestellen.

film

film: Doubt. Regie: John Patrick Shanley. Met: Meryl Streep, Philip Seymour Hoffman, Amy Adams, Viola Davis. Film over het leven in een vrouwenklooster waarin ethische en theologische vraagstukken het kloosterleven bemoeilijken.



kader 1
Kloosters
Benedictus stichtte in 528 het eerste klooster. Van hem komt de basiskloosterleefregel, de gelofte van kuisheid (celibaat) gehoorzaamheid (aan God en de overste) en armoede (soberheid, afzien van eigen bezittingen).

Er zijn grofweg twee soorten kloosters: beschouwende en actieve.
Beschouwende kloosterlingen staan buiten de wereld en houden zich vooral bezig met gebed en bezinning. In contemplatieve kloosters deed men meer aan lichamelijke versterving dan in actieve kloosterordes.
Actieve kloosterlingen hebben naast het kloosterleven een rol in de samenleving zoals bijv. het onderwijs of de gezondheidszorg.

Bedelorden voeren de gelofte van armoede zo ver door dat ze zich door de gemeenschap in hun behoeften laten voorzien. Als de tijden te bar zijn, moesten leden van een bedelorde daadwerkelijk uit bedelen. Vandaar de benaming 'bedelmonnik'.

Kader 2
Grote kloosterordes:
- Clarissen (contemplatief)
- Trappisten (contemplatief)
- Benedictijnen (contemplatief)
- Fransicanen (ofwel 'Minderbroeders', actieve bedelorde)
- Dominicanen (ofwel 'Predikheren', actieve bedelorde, in de dertiende eeuw actief in de inquisitie)
- Augustijnen (actieve en contemplatieve kloosterorde, vertakt in veel andere kloosterorden zoals de Ursulinen en Alexianen)
- Karmelieten (contemplatief, bedelorde)


Kader 3
De cijfers
actieve nonnen: 5321 (daling van 70% in 23 jaar)
contemplatieve nonnen: 455
monniken en fraters: 452
Priesters levend in kloostergemeenschap: 1907
(geteld op 1 oktober 2008 door Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) )

Kader 4
Opus Dei is een richting binnen de Rooms Katholieke Kerk, gesticht in 1928. Het doel van Opus Deï is de gelovigen te motiveren om geheel overeenkomstig de Katholieke geloofsleer te leven. Daartoe wil Opus Deï gelovigen doordringen van het feit dat ze geroepen zijn tot heilige. In de praktijk zijn aanhangers van Opus Deï rechtsgeorïenteerde, neo-conservatieve katholieken. De meeste leden van Opus Deï zijn hoger geplaatste leken (artsen, professoren, politici, FBI-agenten etc.) of leden van de hogere clerus. Naar verluid doen leden van Opus Deï nog steeds aan verstervingspraktijken.

kader 5
Abdijbier
Westmalle, La Trappe, Corsendonk, Affligem, Grimbergen, een greep uit de vele stevige speciaalbiertjes afkomstig uit kloosters. Kloosters hebben een rijke bierhistorie. Benedictus, de grondlegger van de kloosterorden, bepaalde al dat religieuzen twee keer zoveel bier als wijn mochten bij hun ontbijt. Kloosterlingen brouwden hun bier zelf, omdat ze geen contact hadden met de buitenwereld. Het waren de nonnen en monniken die voor het eerst de receptuur van het bier vastlegden op perkament. Er zijn verhalen dat sommige nonnen meer dan vijf liter bier per dag dronken. Affligembier heeft een lange staat van dienst: het wordt al bijna duizend jaar gebrouwen.

Kader 6
Tijdelijk het klooster in
Kloosters hebben een traditie van gastvrijheid. In Nederland zijn meer dan veertig kloosters waar je als gast op adem kunt komen in een speciale gastenruimte. Als je wilt, mag je dan meedoen aan het kloosterritme (getijdengebeden, eucharistie) en een spiritueel gesprek aangaan met één van de kloosterlingen. Kijk op www.knr.nl/organisatie/gastenverblijven

kader 7
Zelfkastijding een hype
Flagellanten trokken in de Middeleeuwen door Europa om mensen op te roepen tot zelfkastijding. Ze gaven zelf het 'goede voorbeeld' . Door zelfkastijding konden de mensen het lijden van Christus doorleven, was het idee. Na de pestepidemie ('De Zwarte Dood') in 1347 werden de flagellanten wel erg populair. De Rooms Katholieke kerk, die aanvankelijk enthousiast was over de flagellanten, riep op tot matiging. In sommige Katholieke landen zijn flagellanten nog steeds actief. Rond Pasen trekken verschillende flagellanten door de straten van Sevilla in Spanje terwijl ze zichzelf tot bloedens toe bezwepen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen